Wij gaan baden

Aangezien het de grootste tijd van het jaar nog veel te koud is om in de Mosel en in de Maaren te baden, tonen wij hoe men vroeger thuis een bad ingericht had: “badkuipen, waterkommen, zeepbakjes ...”, de tentoonstelling toont een spectrum van het “zich wassen” in de stad en buiten de stad.

De thematiek strekt zich uit van het water, dat men nog moeizaam uit de bronnen moest scheppen tot het stromend water van een zuivere “Art-Deco”-badkamer uit de Trierse binnenstad.

De tentoonstelling stelt daarbij de vraag: wie heeft zich wanneer, hoe dikwijls en waarom een bad genomen, resp. gewassen. Er werd daarbij gelet op de stedelijke omgeving van Konz/Trier alsook op het landelijke milieu.

Verwijzingen naar was- en hygiënepraktijken buiten de stad zijn er nauwelijks. Ook wanneer de figuur van de smerige en vuile boeren een literair verzinsel is – wie bezit nog de kracht om na 14 tot 18 uren arbeid in de zomer het vermoeide lichaam te verzorgen? Vóór de invoering van het waterleidingsbedrijf in de landelijke ruimte rond 1900 moest het water bovendien met veel moeite van de bronnen gehaald worden.

De tentoonstelling toont, dat het stromend koud en warm water dat we vandaag gewoon zijn, niet vanzelfsprekend was. Zelfs als er stromend water was, was een warm bad eerder de – dikwijls wekelijkse – uitzondering.

De tentoonstelling toont naast vele wasbenodigdheden en wasgelegenheden van de waskom tot het bad ook de vervaardiging en de verkoop van zeep en aromatische zepen. Highlights van de tentoonstelling zijn mooi versierde wastafels, ... tentoongestelde voorwerpen uit het vroegere Trierse vrouwenklooster, en een wasplaats van een zuivere “Art-Deco”-badkamer uit Lahns marmer, die in de Trierse binnenstad bij een renovatie van een woning moest wijken.